Nederland is al sinds mensenheugenis een echt kaasland. Al voor het begin van de jaartelling, dus voor het jaar 0, maakte kaas een vast onderdeel uit van wat de mensen aten. Julius Caesar schreef dit al in de verhalen van zijn reizen. In de Middeleeuwen werd kaas ook uitgevoerd naar het buitenland, vandaar dat Nederlanders ook wel ‘kaaskoppen’ worden genoemd.
Vroeger was het maken van kaas van de melk van de eigen koeien heel gewoon, maar de laatste honderd jaar verkopen de boeren hun melk vaak aan de zuivelfabriek. De fabriek verwerkt dan de melk, en de boeren maken zelf geen kaas meer.
Er zijn nu nog ongeveer 300 boerengezinnen die nog zelf Boerenkaas of andere boerderijzuivelproducten maken van hun melk. Maar het worden er steeds minder. Dit komt door de strengere regels waar de boeren zich aan moeten houden, en omdat de boerinnen vaker buiten de boerderij werken in een andere baan. Het bereiden van de kaas en de zuivel wordt vaak door de boerin gedaan.
In Oud-Hollandse kunst uit de Gouden Eeuw vinden we veel schilderijen (stillevens) waarop kaas staat afgebeeld. Ze zijn te bewonderen in het Rijksmuseum in Amsterdam, in het Frans Hals museum in Haarlem of Boymans-Van Beuningen in Rotterdam.




